Saturday, November 14, 2009

Recensie New York Review of Books















Bedachtzame standvastigheid als cultureel superwapen

Om de week ligt er pal naast de kassa bij de ingang van het Athenaeum Nieuwscentrum een grote stapel van, het laatste nummer van de karakteristiek uitziende New York Review of Books. Met 65 gretig afgenomen exemplaren (op een Europese circulatie van 13.000 en een Amerikaanse van 140.000) is de Review een van de bestverkopende tijdschriften van het Nieuwscentrum. Geen geringe prestatie voor een op het eerste gezicht nogal boekig en highbrow cultureel tijdschrift als dit. Maar doet die reputatie The New York Review eigenlijk wel recht, vraagt merlijn olnon zich af.

Sinds haar oprichting in 1963 is op de pagina's van de Review een ononderbroken en venerabele stoet auteurs en denkers langsgetrokken, van onder anderen Hannah Arendt, Susan Sontag en Gore Vidal in het eerste nummer, tot bijvoorbeeld William Dalrymple, Daniel Mendelsohn, Tony Judt, Timothy Garton Ash en Ian Buruma het afgelopen jaar. In vaak zeer erudiete en bedachtzame bijdragen van tussen de twee- en vierduizend woorden beschrijven zij naar aanleiding van recent verschenen titels hoe zij het onderwerp begrijpen en wat hen eraan bezighoudt. Highbrow indeed!

Maar iedereen die daarmee denkt dat The New York Review of Books zich in eerste instantie richt op kunst en cultuur, of dat zij wel makkelijk op intellectuele pedanterie te betrappen zal zijn, heeft het lelijk mis. Want wie eens stilstaat bij de tweewekelijkse stapel en de moeite neemt een nummer goed in te zien, ontdekt al snel dat 'cultureel' voor de Amerikaanse intellectueel een heel rekbaar begrip is. Dat maakt de Review ook voor ons Europeanen tot het ultieme cultureel-politieke tijdschrift.

Zo bevat het laatste nummer (volume 56, nummer 18, 19 november 2009) twintig bijdragen, waarvan slechts een klein gedeelte over kunst en cultuur gaat zoals wij die begrippen in Nederland vooralsnog opvatten. We tellen weliswaar vier bijdragen van en over literatuur, twee over fotografie en twee over de kunsthandel. Maar verreweg het grootste aantal pagina's wordt in beslag genomen door beschouwingen op Amerika's politiek, sportgeschiedenis, migratiegeschiedenis, onderwijs, ontwikkelingspolitiek, gevangeniswezen en rechtsgeschiedenis. De rest van de wereld komt (naast de besprekingen van Orhan Pamuks Het Museum van de Onschuld en Love and Summer van de Iers-Engelse William Trevor) aan bod in een drietal artikelen over de Engelse revolutie van 1688, over het Hindoeïsme, en over milieuproblematiek. Daarbij zijn de besproken boeken meestal aanleiding voor veel bredere betogen, dan dat zij er werkelijk onderwerp van zijn.

De relatieve ondervertegenwoordiging van literaire fictie mag verbazing wekken bij een tijdschrift dat zichzelf omschrijft als een 'literary and critical journal based on the assumption that the discussion of important books was itself an indispensable literary activity'. Maar vanuit het New Yorkse centrum van de progressieve Amerikaanse cultuur bezien is de mix van artikelen zoals die al 45 jaar 20 tot 25 keer per jaar in de Review te vinden volstrekt logisch. Want veel meer dan door een liefde voor kunst en cultuur, lijkt de redactie onder leiding van levenslang hoofdredacteur Robert Silvers vooral gedreven te worden door één verlangen: tegenwicht te bieden aan de afstompende cultuur van de 'permanente Republikeinse meerderheid' zoals die vanaf eind jaren '60 gestalte begon te krijgen.

Anders gezegd, zij wil een voornaam liberal bastion zijn in de Amerikaanse culture wars, het voortdurende en in alle aspecten van het maatschappelijke leven doorvoelde antagonisme tussen conservatief en progressief Amerika. Als zodanig is zij de intellectuele evenknie van de al even New Yorkse Vanity Fair en The Daily Show — niet toevallig de drie media bij uitstek die in de hysterie na 9/11 hun bloedende harten in bedwang hielden om keer op keer met inhoud te protesteren tegen de door Bush doorgezette afkalving van politieke, burger- en mensenrechten.

Deze politieke opvatting van cultuur en gecultiveerdheid, dit engagement, betekent geenszins dat alle bijdragen ook daadwerkelijk gepolitiseerd zijn. Zij betekent eerder dat het tijdschrift cultuurpolitiek bedrijft door consequent en in bedachtzame, perfect gestileerde en uiterst toegankelijke bijdragen het debat aan te gaan over 'American life, culture, and politics', en door daarbinnen ook expliciet de vergelijking te trekken met het leven, de cultuur en de politiek in de rest van de wereld.

Het gevolg is dat de Review ook voor niet-Amerikanen veel te bieden heeft. Dat is des te meer zo voor ons Nederlanders. Wat in Amerika gezien wordt als activistisch progressief is hier immers relatief gematigd, mainstream zelfs. Natuurlijk zijn er een paar liberal American stokpaardjes die voor ons op het eerste gezicht wat minder relevant lijken (bijvoorbeeld migratiegeschiedenis, de politisering van de rechtspraak, het gevangeniswezen, gezondheidszorg). Maar ja, voor zover Amerika nog altijd ons voorland is, kunnen zelfs die aardig te denken geven.

Paradoxaal genoeg is juist de literaire component van de Review voor de Europeaan minder interessant. Literatuur mag dan inherent minder tijd- en plaatsgebonden zijn, wat er in de Review van aan bod komt is over het algemeen wel erg Amerikaans. Bovendien is de literaire focus van de Review gericht op een tamelijk klein groepje van 'schrijvende vrienden' (James Baldwin, Joan Didion, Paul Auster, J.M. Coetzee, Derek Walcott, Charles Simic, etc.). Niet de minsten natuurlijk, maar heel vernieuwend is het allemaal niet. Dat de literaire besprekingen dan ook nog eens erg weinig over de eigenlijke teksten gaan en, typisch Amerikaans, erg veel over oeuvre en auteur maakt de benadering zo mogelijk nog minder relevant voor de Europeaan die op zoek is naar goede actuele literatuurkritiek.

Overigens is dat een vaker gehoord bezwaar; dat het soms wel een 'New York Review of Our Books' lijkt. Hoewel begrijpelijk — de op New York gerichte schrijvende culturele elite is immers eindig en hoe vul je anders iets minder dan duizend nummers? — is die kritiek zeker waar het de non-fictie betreft niet terecht. Een blik op het overweldigend grote auteursoverzicht levert het ultieme tegenargument.

Kortom, iedereen met een gezonde interesse in moderne Engelstalige literaire klassiekers doet er goed aan The New York Review bij te houden. Maar voor iedereen met een aanhoudende belangstelling voor geschiedenis, politiek en maatschappij (en wie heeft dat niet?) is het eigenlijk een absolute plicht.

Merlijn Olnon is wetenschappelijk boekverkoper Geschiedenis, Politiek en Midden-Oosten bij Athenaeum Boekhandel. Hij promoveert binnenkort aan de Universiteit Leiden op een proefschrift over de betrekkingen tussen Europa en het Midden-Oosten.

No comments:

Post a Comment