Thursday, October 15, 2009

Hollands Maandblad 173


Het oktobernummer, 743ste nummer, van de een-en-vijfstigste jaargang, van Hollands Maandblad (opgericht in 1959 door K.L. Poll) verschijnt volgende week. Wij mogen al met u vooruit lezen. Met Bastiaans Bommeljé's redactioneel over declarerende bestuurders en eroderende socialisten, een stuk over literaire tijdschriften en licht-gewicht-neerlandistiek, en verder:
Redactioneel - Deze maand
Wim Brands - Gedichten
J.J.A. Mooij - 'Cultuur' en 'beschaving'
Leo Vroman - Gedichten
David Pefko - One Happy Island
Eva Gerlach - Gedicht
Cathelijn Schilder - Dat is voor M., zei ze
Marijke Hanegraaf - Gedichten
Gerry van der Linden - Melk en ijzer
Emma Crebolder - Gedicht
From the book depository - Beter dan de werkelijkheid
Frans Stüger - Afscheid
Florus Wijsenbeek - Drieënhalve ontmoeting met Edzo Toxopeus
Bindervoet & Henkes - Schooltijd & De zoveelste steen in de muur
Etsen - Ronald Tolman

Deze maand scheen wellicht even onbeduidend als elke andere maand, maar het is mogelijk dat latere generaties daar anders over zullen oordelen. Zo leek het samenvallen van de grote verkiezingsnederlaag van de SPD in Duitsland met het historische dieptepunt in de politieke peilingen van de PvdA op meer dan een coïncidentie. Het rook naar het doodvonnis van de sociaaldemocratie as we knew it.
Indien het waar is dat de partij van Wouter Bos thans op niet meer dan ongeveer 13 Kamerzetels kan rekenen, zoals de opiniepeilers menen, dan betekent dit immers meer dan een dipje in de wispelturige kiezersgunst en zelfs meer dan een symptoom van de erosie der traditionele politieke verhoudingen. Hier lijkt een kritische ondergrens doorbroken, en in zo'n situatie helpt het niet als alweer PvdA-bestuurders in opspraak komen wegens hun ruime hand van declareren. Dit keer ging het om Limburgse gedeputeerden die allebei in tweeënhalf jaar voor om en nabij 70.000 euro incasseerden voor rolletjes snoep, kopjes koffie en alcoholische versnaperingen.
Toch zou juist in deze deconfiture wel eens troost kunnen schuilen voor de sociaaldemocraten. Het is niet onwaarschijnlijk dat de gram der kiezers zich niet specifiek richt tegen de idealen van de PvdA, maar dat de electorale onrust voortkomt uit meer algemene onvrede over het openbaar bestuur van dit land. Ik weet niet of die onvrede onterecht is. Soms denk ik dat wij zonder het te beseffen leven in een tijdperk van hernieuwde klassenstrijd, en dan bedoel ik de strijd tussen de besturende klasse en de bestuurde klasse, anders gezegd: de strijd tussen de declarerende klasse en de niet-declarerende klasse.
Au fond zou ik niet goed kunnen uitleggen waarom overheidsbestuurders alcoholische consumpties of bovenmodale etenswaren op staatskosten mogen nuttigen, maar de epidemische wijze waarop zulks gebeurt, is interessant genoeg. Zeker is dat hierbij vooral de sociaaldemocratie verscheurd wordt door de botsing tussen woord en daad. Pijnlijk voor de PvdA is dan niet eens alleen de hoogte der bedragen, maar vooral de vanzelf-sprekendheid waarmee haar bestuurders publiek geld in de eigen zak laten glijden. Nederland zal niet bankroet gaan van het broodje haring dat minister Guusje ter Horst declareerde, noch van de lunch met zeetong en rogvleugelfilet die wij mochten betalen voor de Amsterdamse wethouder Lodewijk Asscher, en evenmin van de tickets voor de musical Mamma Mia! die burgemeester Wolfsen declareerde kort voor hij de rekening indiende voor zijn etentje rogvleugel met minister Ella Voogelaar. Maar toch lijkt dit fataler dan wanneer een VVD-topambtenaar bij het ministerie van Justitie in twee jaar tijd voor 13.000 euro aan overmatig geprijsde wijnen door de gemeenschap laat betalen. Hier speelt het verschil tussen een persoonlijke pathologie en een politiek cataclysme.
Nochtans is er bij dit alles geen reden voor somberheid of fatalisme. Wij leven weliswaar onder een generatie bestuurders die het land in slechtere staat achterlaat dan dat ze het aantrof, maar daar tegenover staat dat het land de bestuurders in een betere staat achterlaat dan waarin ze die op haar nek kreeg. - BB
From the book depository: Beter dan de werkelijkheid
Soms meen ik mij vaag te tijd te herinneren dat het in de wetenschap draaide om vragen, argumenten en antwoorden. Als je geluk had, ging het zelfs om scherpe vragen, valide argumenten en interessante antwoorden. Dat is lang geleden. Het moet de tijd geweest dat bij kranten de feiten nog heilig waren, dat stukjes nog werden bekeken door eindredacteuren voordat ze werden gedrukt, en dat niet met verlammende wetmatigheid elke vrijdag iets cultureelderigs op de voorpagina moest komen, omdat vrijdag nu eenmaal cultuurdag is. Ik bedoel waarschijnlijk de tijd voordat de universiteiten centers of excellence waren en voordat kranten hun morsige en mopperende eindredacteuren hadden ingeruild voor hippe, door het moderne hoger onderwijs gerolde nitwits omdat die beter passen in hun verdienmodel als lifestyle attribuut.
Wellicht is het derhalve geen wonder dat wanneer de moderne universiteiten en moderne kranten de handen ineen slaan, dit al snel leidt tot een intellectueel theater van de lach - het lijkt op wetenschap, het heeft de schijn van feiten, maar achter die maskerade heerst een louter op effect gerichte en door gemeenplaatsen gestuurde grand guignol. Zo kwam het dat NRC Handelsblad - overigens als enige krant - op vrijdag 18 september jl. (ja natuurlijk, vrijdag, cultuurdag!) met enig tamtamgeroffel op de voorpagina meldde: 'Literaire tijdschriften publiceren nauwelijks nog werk van debutanten'. Bovendien, zo stond er beschuldigend, 'zetten ze nauwelijks nog aan tot debat'.
Wat nu? Een onthulling? De dienstdoende stagiair wond er in elk geval geen doekjes om. 'Student zette de feiten op een rijtje', meldde hij onverschrokken, 'onderzoek wijst uit dat literaire tijdschriften hun kerntaken - kweekvijver voor talent en podium voor literair debat - niet langer vervullen.' Erger nog, zo ging het feitenrelaas in de kwaliteitskrant voort: 'Literaire tijdschriften zijn niet langer een kweekvijver van jong talent en zetten nauwelijks nog aan tot debat. Dat concludeert Bart Temme die volgende maand op het onderwerp afstudeert aan de Groningse universiteit. De letterkundige onderzocht alle artikelen in de laatste vijftien jaargangen van de vier grootste Nederlandse literaire tijdschriften: De Gids, Tirade, Hollands Maandblad en De Revisor.'
Feiten op een rijtje - onderzoek - universiteit - afstuderen: dat moet wel goed zitten, het is beter dan de werkelijkheid, het is de waarheid!
Een ieder die het geluk heeft gehad te kunnen ontkomen aan het Nederlands hoger onderwijs, rook natuurlijk onmiddellijk onraad. Hier rammelde iets, en niet zo'n beetje ook. Geen 'kweekvijver voor talent'? Willen de literaire bladen dan alleen dat zijn - tellen aardige stukken die ergens over gaan van reeds gedebuteerde schrijvers niet mee? Geen 'podium voor literair debat meer'? Wat voor een soort debat wordt hier bedoeld - en waar heeft dat ooit gewoed? 'Kerntaken niet langer vervullen'? Menen de tijdschriften zelf eigenlijk dat zij kerntaken hebben - en werden die ooit dan wel vervuld?
Dit was niet de handen ineenslaan tussen wetenschap en journalistiek, dit leek meer op handjeklap. Een kwestie van manus manum lavat. De student had een maand voor zijn afstuderen publiciteit in de kwaliteitskrant en de kwaliteitskrant had op vrijdag iets cultuurderigs, dat nog wel op wetenschappelijke wijze leek te bewijzen dat de eerdere slagen in de lucht tegen de literaire bladen hout sneden.
Houd u mij ten goede, ik ben een groot voorstander van aanvallen op literaire tijdschriften, van achterdocht tegen hun pretenties, van het doorprikken van hun claims op kwaliteit, van het kritisch bejegenen van hun gesubsidieerde status. Er kan mij geen genoeg literair bloed aan de paal zijn. Juist daarom is het zo jammer dat de tegenstand zo onbeduidend is. Het dedain van NRC Handelsblad komt meer voort uit luiheid dan uit kennis, en dat de kritische scriptie van de Groningse student Bert Temme schiet op werkelijk alle aspecten van wetenschappelijkheid (vragen, argumentatie, antwoorden) zo pijnlijk tekort dat men van plaatsvervangende schaamte zelf de billen samenknijpt.
De achterliggende probleemstelling van de jonge neerlandicus is: heeft het literaire tijdschrift nog een functie in 'het literaire veld'? Om dit vraagstuk op te helderen, is hij van vier tijdschriften de debuten en de debatten gaat tellen. Dit is een sprong van een kwalitatieve vraag naar een kwantitatieve methode, hetgeen al een categorieprobleem van de eerste orde is, maar erger is dat hij de door hem onderzochte bladen vooral heeft uitverkoren omdat ze werden genoemd in een stuk van de kinderboekenrecensent van NRC Handelsblad waarin onder de kop 'Oprollen die bende' werd betoogd dat ze opgedoekt dienden te worden omdat ze hun functie als 'kweekvijver voor talent' en 'podium voor debat' hadden verloren.
Hoe dan die kweekvijverfunctie en podiumfunctie te tellen? Nu, daar heeft de moderne student een Excel-rekenblad voor, en daarop kan men tellen wat men wil, ook debuten en debatten. Wat precies een literair 'debuut' is, en dat zoiets op een glijdende schaal van schoolkrant, via kleinere tijdschriften, en dan grotere tijdschriften, en dan uitgeverijen tot stand komt, daarover brak de neerlandicus zich niet het hoofd. Dat de door hem gekozen tijdschriften ergens middenin die glijdende schaal staan, en dus vaak schrijvers die al 'gedebuteerd' zijn in kleinere tijdschriften verder begeleiden, of helemaal niet melden dat er sprake is van een 'debuut', en dat de 'kweek-vijver' niet ophoudt na een 'debuut', dit alles mocht de pret niet drukken. Er moest geteld worden.
U als lezer van een literair tijdschrift begrijpt allang wat hier gebeurde: dit was het principe van 'garbage in, is garbage out' - een van de bekendste, fundamenteelste en domste fouten die men kan maken bij wetenschappelijk onderzoek. Prachtige rekenbladen, schitterende grafieken, maar gebaseerd op het tellen van nonsens.
Geen wonder dat de conclusies van de Groningse Master met de trotse zelfverzekerdheid werden geponeerd van iemand die het oerprincipe van wetenschap niet heeft geleerd: twijfel aan de eigen vragen, methoden en argumenten. Geen wonder ook dat de conclusies werden gevolgd door nog ronkender gebrachte 'aanbevelingen' en 'toekomstvisie'. Die kwam meer op een grandioze fusie van alle bladen op het internet in één grote website, waar een drempelloos paradijs zou ontstaan van onbegrensde toegankelijkheid, reageerbaarheid en debatteerbaarheid. - Dat het wezen van literaire bladen nu juist is, altijd is geweest en altijd zal zijn, om niet drempelloos toegankelijk te zijn, maar om een hoge muur op te werpen tegen alles wat men niet wil afdrukken, dat had de jonge neerlandicus blijkbaar niet meegekregen op de universiteit.
Dit Master-onderzoek werd begeleid door de Groningse hoogleraar Gilles Dorleijn, een neerlandicus die meent dat het internet een zegen is voor de leesbevordering en die zich voorheen als voorzitter van de beoordelingscommissie literaire tijdschriften van het NLPVF al een groot voorstander heeft betoond van de totale digitalisering van literaire tijdschriften. Tegen derden liet hij weten dat hij zich zeer heeft gestoord aan negatieve reacties op het werkstuk van Temme vanuit de kant van de redacties der literaire tijdschriften - en aan die van Hollands Maandblad in het bijzonder.
Nu ja, misschien ben ik niet duidelijk genoeg geweest. Daarom nog een keer in woorden van één lettergreep. Met zulk onnozel onderzoek - net als met het flodderstukje van Lisa Kuiters in Vrij Nederland over literaire tijdschriften en met het volstrekt incoherente boek De revanche van de roman door de Amsterdamse hoogleraar Thomas Vaessens - geeft de neerlandistiek het begrip licht-gewicht-wetenschap een slechte naam. Aangenomen dan dat neerlandistiek een wetenschap is.
door Bastiaan Bommeljé

No comments:

Post a Comment